Om 3 uur (Harry was even weggegaan, om later terug te komen) belde er iemand aan de deur. Ik hoorde het niet, daar ik lui in een ligstoel op de veranda in de zon lag te lezen. Even later verscheen Margot in opgewonden toestand aan de keukendeur. ‘Er is een oproep van de S.S. voor vader gekomen’, uisterde ze, ‘moeder is al naar mijnheer van Daan gegaan’. (Van Daan is een goede kennis en medewerker in papa's zaak.) Ik schrok ontzettend, een oproep, iedereen weet wat dat betekent; concentratiekampen en eenzame cellen zag ik al in mijn geest opdoemen en daarnaartoe zouden wij vader laten vertrekken. ‘Hij gaat natuurlijk niet’, verklaarde Margot mij, toen wij in de kamer op moeder zaten te wachten.
‘Moeder is naar Van Daan om te bespreken, of we morgen naar onze schuilplaats zullen vertrekken. De Van Daans gaan met ons mee onderduiken, we zijn dan met ons zevenen’. Stilte. We konden niet meer spreken, de gedachte aan vader, die geen kwaad vermoedend op bezoek was bij oude mensen in de Joodse Invalide