werd omhoog gegooid en dan weer op den grond gesmakt. Uit mijn neus stroomde bloed. Ik verloor mijn bewustzijn. Later bemerkte ik, dat ze mij naar het privaat brachten en met koud water begoten. Toen verhuisde ik naar beneden. En er verliep geen dag en geen nacht meer, dat ik niet afgeranseld werd. Ik werd ziek, wanhopig. Mijn zenuwen werden mij de baas. Ik kreeg snijdende hartkrampen.
Soms klopte mijn hart, alsof het barsten zou. Ik vroeg medicijnen. ‘Zoo, ben jij ziek? Nou, dan zullen wij jou wel beter maken.’ Daarna begonnen ze mij nog erger te slaan. Vooral des nachts had ik verschrikkelijk van hun bezoeken te lijden. Er waren nachten, dat ik gegeeseld werd, tweemaal, driemaal, tot ik bewusteloos werd. Dan werd ik met koud water overgoten, en eenmaal zelfs met faecalien